Valse start
‘Wat voor jas zullen we eens aantrekken?’ vraag ik aan de kinderen.
‘Ik wil mijn zomerjas aan,’ zegt Wessel.
‘Ja! Ik ook!’ roept zijn zusje.
Even later lopen we alle drie buiten in zomerkleding. De zon schijnt, maar in de schaduw is het verraderlijk koud. De kinderen lijken daar niets van te merken. Ze rennen uitgelaten voor me uit. Of doen ze dat om warm te blijven?
Terras
‘Mag mijn jas uit?’ vraagt mijn zoon hijgend als we bij het terras zijn.
‘Nee, maar je mag hem wel los laten hangen,’ zeg ik en ik rits zelf ook mijn jas open.
De zon breekt door. Warmte trekt in mijn huid, het kippenvel wordt gladgestreken en ik voel hoe mijn spieren zich ontspannen. Ik vind het heerlijk wat dit weer doet met mijn zintuigen. De volumeknop van mijn humeur wordt met een ruk opengedraaid. Wat nou winter, het is verdomme gewoon lente!
Wantrouwen
Voor dit weer komen de mensen wel naar buiten. Het is druk op het terras en in de speeltuin. De kinderen gaan spelen. Ik bestel frisdrank en ranja. Als even later de wind gaat liggen lokt de zon mij uit mijn jas. Ook de jassen van de kinderen gaan uit. Ze lijken totaal geen last te hebben van wantrouwen tegenover dit weer. Ik wel. Ik houd mijn jas angstvallig bij mij in de buurt zodat ik hem meteen weer aan kan trekken mocht het nodig zijn.
Muts
Dan zie ik een jongetje naast zijn moeder het terras toe lopen. Hij draagt een dikke winterjas, een sjaal en zijn haren zitten onder een wollen muts. Zijn moeder is ook al zo warm aangekleed. Ik kijk om me heen en zie meer mensen in jassen zitten. Misschien is het toch wel wat gek dat ik mijn kinderen in hun shirtjes laat rondrennen. Ik roep ze bij me.
‘Trek toch maar even jullie jas aan,’ zeg ik.
‘Nee,’ roepen ze eensgezind.
‘Het is echt nog te koud,’ zeg ik en ik wijs: ‘Dat jongetje daar heeft zelfs nog een muts op.’
Op precies hetzelfde moment wijst het jongetje naar ons: ‘Die kinderen daar hebben ook geen jas aan.’
Compromis
De moeder met de winterjas kijkt naar mij. Ik kijk naar haar. We halen allebei tegelijkertijd glimlachend onze schouders op. Mijn kinderen zien dat als een teken dat ze er zonder hun jassen vandoor kunnen gaan. Ze rennen weg. Het jongetje blijft staan. Hij wil zijn jas uitdoen, maar dat mag niet. Bij wijze van compromis mag hij wel zijn muts en sjaal achterlaten. Dan rent hij hij ook naar de speeltuin.
In het perkje bij het speeltuintje staan narcissen. Uit het gras steken volop groene stokjes met bovenin een dikke knop. Slechts vier of vijf narcissen vinden het al lente genoeg om uit de knop te komen en zich te laten zien. Ik besluit de kinderen lekker zonder jas te laten spelen. Er zullen er altijd een paar als eerste zijn.

