Twee sukkels in de file

wernerblog

Vier jaar geleden heb ik het filerijden vaarwel gezegd. Liever fiets ik dertien kilometer door de drab in de kou, dan dat ik kramp in mijn been krijg van het remmen, gas geven en weer remmen zodra die discolampen boven Neerlands snelwegen oplichten.

Nieuwegein
Helaas moest ik er vorige week weer aan geloven. Samen met mijn collega ging ik elke dag op pad naar Nieuwegein, voor de cursus die we daar volgden. Iedere dag zagen wij die duivelslampen oplichten boven de weg. Flikkerdeflikflik, ga hier maar lekker zeventig rijden! Dan heb je nog ijdele hoop. Misschien zijn er wegwerkzaamheden. Maar nee, verderop zie je die verschrikkelijke vijftig al staan. De vijftig waarvan je weet dat je er blij mee zult zijn als je die snelheid ook daadwerkelijk haalt. Want meestal sta je een hele tijd stil. Zet gewoon ‘nul’ op die matrixborden en lach ons niet uit in onze gezichten omdat wij daar staan.

Sukkeltje
In de file voel ik me altijd het sukkeltje. Je doet je zo je best, betaalt er heel wat euro’s voor en dan sta je stil. De trein raast voorbij. De passagiers staan met hun neus tegen het raam gedrukt, zo druk is het in de coupe, maar zij lachen jou uit. Op de radio hoor je de filemeldingen, iedereen die dat hoort en niet in de file staat lacht je uit. Bovendien sta ik altijd in de verkeerde baan. De rechterbaan reed wel door. Dus daar lachten ze me ook uit. Mijn collega had daar geen last van. Die ging enorm zitten loeren naar de inzittenden van andere auto’s. Hij zwaaide vriendelijk naar vrouwelijke automobilisten die ons passeerden, die erg hun best deden om hem te negeren. Maar hij had lol en daar ging het hem ook om.

Moedwillig aanschuiven
Om mij wat op te vrolijken zei mijn collega: ‘Wees blij dat je er niet elke dag in hoeft te staan.’ Daar had hij gelijk in. Het is toch een wonder te noemen dat er mensen zijn die elke dag moedwillig aanschuiven in die lange polonaise van auto’s? Ze weten precies waar ze stil moeten gaan staan. Het is een automatisme geworden. De verstokte filerijder weet precies waar zijn dagelijkse file ongeveer begint en welk knooppunt hij voorbij moet zijn voordat het verkeer weer op vaart begint te komen. Ze houden er rekening mee in hun reistijd. Het hoort er een beetje bij.

Afslag
We stonden stil omdat er invoegend verkeer was. Een hele hoop auto’s wilden ook op de tweebaansweg rijden. Ineens begon het weer te rijden, alsof de automobilisten erachter kwamen dat ze ook hard kunnen rijden op de snelweg. Helaas waren we nog niet verlost van het fileleed. Enkele kilometers verderop verscheen weer een keurige rij van geparkeerde auto’s, met de mensen er nog in en de motor nog aan. Het was een lange afrit die helemaal vol stond met blikjes op een stel rubberen wielen. ‘Eh,’ zei mijn collega ineens. ‘Moeten wij deze afslag niet hebben?’

Asociaal
Dat krijg je wanneer je niet bekend bent met de plekken waar de files staan, dan weet je ook niet waar je stil moet gaan staan. We konden niet meer keurig achteraan in de rij aansluiten. Daar was het te laat voor. Ik zoefde de auto’s voorbij en raakte erg gestresst. Dat was onze afrit, we waren al laat, wist ik veel waar we uit zouden komen als ik ook nog eens om moest gaan rijden? Ineens zag ik een mooi gat in de file. Ik remde af en draaide de auto heel asociaal in de vrijgekomen ruimte. Daar stond ik, met achter mij honderden meters met nette automobilisten die keurig netjes op hun beurt stonden te wachten. Dankzij mij moesten ze nu allemaal nog net ietsje langer wachten.

Ik schaamde me dood. Mijn collega niet, die zat alweer te flirten met de vrouwen in andere auto’s. Eentje van hen stak haar middelvinger op naar ons. ‘Jeetje, wat asociaal zeg,’ zei mijn collega. Het is maar vanuit welke kant je het bekijkt.

CC foto: Burning Image