Speeltuinentocht
‘Papa, mogen we een keer met jou naar jouw werk fietsen,’ vragen mijn kinderen weleens. Het is veertien kilometer fietsen. Dat is niet mals voor twee kleine mensjes van vijf en zeven jaar oud. Ze fietsen op fietsjes die de helft zo groot zijn als die van mij. Maar het is een leuk stukje om te rijden. Je komt langs weilanden, rijdt een stukje door het bos en onderweg komen we ook langs twee grote speeltuinen. Daarom besluit ik het een keer te proberen.
Gezeur
‘Zijn we er al bijna?’ vraagt Myrthe als we ons dorp net uit zijn. Ik heb ze nog niets verteld over de speeltuinen, want ik hoopte dat als geheim wapen in te kunnen zetten. Met het vooruitzicht op een schommel en een glijbaan zijn ze wel te paaien voor een extra kilometer. Dat het gezeur zo snel al zou gaan beginnen, had ik niet verwacht. Drie kilometer verder is de jongste het al helemaal beu. Ze begint te zeuren.
Duracell
‘We gaan zo stoppen,’ zeg ik. Als mijn dochter ziet waar we uiteindelijk stoppen, staakt het gemopper. Zo gek. Kinderen kunnen bekaf lijken, maar zien ze een glijbaan dan is het alsof er weer nieuwe Duracell batterijen in zitten. Ik neem plaats op een bankje en kijk toe. Heerlijk. De tijden van het moeten duwen bij de schommel en het moeten tillen bij de wip behoren tot het verleden. Deze papa mag lekker in het zonnetje blijven zitten.
Tweede etappe
Na een kwartiertje beginnen we aan de tweede etappe. Gelukkig hoeven we dit keer niet zo heel ver te fietsen, want het gezeur begint al bijna meteen. Ik probeer de kinderen af te leiden. ‘Kijk, het bos. Mooi he. Hoor je de vogeltjes fluiten. De lente begint. Kijk daar, allemaal bloemen.’ Mijn dochter vindt er niets aan. Maar dan bereiken we de tweede speeltuin. ‘Wauw,’ roept ze enthousiast. ‘Deze speeltuin is zelfs nog groter!’ Opnieuw is er van vermoeidheid niets meer te merken. Van al dat gezeur ben ik zelf moe geworden. Met een zucht ga ik zitten.
Jaloers
Het was rustig in de andere speeltuin, maar nu is het gezellig druk. Ik houd even mijn kinderen in het oog, maar ze lijken zich aardig te redden. Dan kijk ik naar de ouders van kinderen die jonger zijn dan die van mij. Hun driejarige ukken willen ook glijden, maar ze gaan nog zo eng dat trappetje op. Moeder moet daar dan bij komen helpen. Ik zie jonge vaders en moeders van wip naar schommel sloffen, achter het kroost aan. Een moeder van een blond jongetje kijkt jaloers naar mij. Vanaf het bankje glimlach ik tevreden terug.
Kinderwagen
Dan is het tijd om weer naar huis te gaan. ‘Kom, we gaan weer fietsen,’ zeg ik. Mijn kinderen beginnen meteen te klagen. Ze willen niet meer fietsen, maar het moet. Ik weet niet hoe ik ze anders thuis krijg. Naast ons zet de moeder van het blonde jongetje haar zoontje in een kinderwagen. Die kan ze heel eenvoudig naar huis rijden. Ze kijkt naar mijn mopperende kinderen en dan naar mij en glimlacht tevreden.

