Ranja op de vloer
Waarom gebeuren dat soort dingen altijd wanneer ik niet veel kan hebben! Een beker omver! Wessel die even niet oplet en hups, met zijn elleboog, de ranja zo over de tafel uitstort. Een waterval van oranje plak die naar beneden valt op de keukentegels. Spetters overal. Precies op het moment dat ik mijn avondeten wil aanvallen. Waarom!? En altijd op momenten dat het me niet uitkomt. Alsof zoiets mij ooit uitkomt! Wessel schrikt van me, omdat ik heel hard vloek.
Even dimmen, jongen
Mijn vrouw kijkt naar mij en uit de manier waarop ze kijkt maak ik twee dingen op. Een heeft te maken met mijn luie bui, terwijl zij heeft staan koken: ‘Jij ruimt die rommel op.’ En twee heeft te maken met de manier waarop ik uitval: ‘Even dimmen, jongen. Pak Wessel eens niet zo hard aan.’ Het is een ongelukje. Maar waarom moet er zowat iedere dag zo’n ongelukje gebeuren bij ons? Kunnen ze niet eens wat beter uitkijken met die bekers? Ik kook, maar gebruik mijn woede dan maar om de boel schoon te boenen.
Rode plas
Het is een dag later. De kinderen hebben visite. Het buurjongetje speelt mee. Ze zitten boven op de kamer van Wessel met de gordijnen dicht en de discolamp aan. Ik zit beneden weer eens lui te wezen, als mijn vrouw binnenkomt van het boodschappen doen. ‘Hebben de kinderen al drinken gehad?’ vraagt ze. Ik kan dat alleen ontkennend beantwoorden, maar besluit dan maar meteen drie bekers met ranja te vullen. Ik pak ze van bovenaf vast en loop naar de huiskamer. Daar glipt een van de bekers los. De ranja verspreidt zich in een grote, rode plas op de grond.
Boos
Ik loop naar de keuken om een dweil te halen. ‘Gisteren was je nog heel boos op Wessel omdat hij een beker liet vallen,’ zegt mijn vrouw.
‘Ik ben ook heel boos op mijzelf nu,’ mopper ik. ‘Maar ik kan mijn eigen troep opruimen, dus ik heb er alleen mijzelf mee.’
‘Gisteren heb ik de hele vloer nog gedweild,’ zegt mijn vrouw.
Allesreiniger
‘Nu ben ik nog bozer op mijzelf,’ brom ik. Ik laat warm water stromen, gooi er een dopje allesreiniger in en even later zit ik op mijn knieĆ«n in de huiskamer de rode plakzooi te bestrijden. Daarna gooi ik een droge dweil in het nat. Met mijn voet poets ik de vloer schoon. Dan zie ik nog een beker met ranja, die bijna helemaal vol is. Die stond er nog. Oude ranja. Ik pak de beker op en zet dan mijn voet weer op de dweil, die wegglijdt, samen met mijn been.
Ik val niet. De beker met ranja wel.

