Paardjesauto
Wanneer ik Dordrecht nader denk ik maar een ding: hoe dichter bij Dordt, hoe rotter het wordt. Daar kan ik niets aan doen, het is mij ooit ingefluisterd door iemand die waarschijnlijk ook niet het vooropgezette plan had om dit door mijn hoofd te laten spoken wanneer ik de plaats aandoe. Mijn vrouw parkeert onze auto niet op het terrein van de autohandelaar, maar er net buiten. We kunnen het terrein niet oprijden omdat een gesloten slagboom de weg verspert. We stappen uit en lopen samen met de kinderen verder.
Liefhebber
Als liefhebber van mooie auto’s kom ik ogen tekort. Ik zie alleen maar dure wagens. De eerste rij bestaat alleen maar uit Alfa Romeo’s, die met hun konten tegen het hek staan geparkeerd. Ik ben niet het type voor dat merk en kijk snel naar de volgende rij die volledig bestaat uit Audi’s, op type gesorteerd en praktisch allemaal grijs. Dat vind ik persoonlijk weer wel mooie auto’s, maar ze zijn onbetaalbaar voor mij, vooralsnog. Dat zeg ik erbij hè, vooralsnog, ik weet ook wel dat het nooit gaat gebeuren – Werner in een gloednieuwe Audi TT – maar een man mag dromen.
Dan loop ik twee Maserati’s voorbij, de achterste met een enorme gril die lijkt op een gapende mond, alsof die auto het fijn vindt om tijdens het rijden vliegjes te eten. Ik vind het prachtige auto’s. Ondertussen vraag ik mij af wat wij doen bij een autobedrijf waar ze dit soort auto’s verkopen. Ik wil mijn vrouw al vragen of we wel goed zitten, maar dan valt mijn oog op een karretje. Een man wenkt ons. Hij vraagt of we wat willen drinken. Dan zie ik dat er broodjes zijn uitgestald en dat er stukjes pizza liggen. Er loopt bijna niemand, maar hier staat iemand met een kraampje vol lekkernijen. Voor wie is al dat lekkers? Voor ons?
Droomauto
‘Heeft u al een prijslijst,’ vraagt de man en hij steekt zijn wijsvinger uit naar de plek waar een stapeltje a-viertjes ligt. Ik pak een vel en zoek de auto op die wij willen gaan kopen. Hij staat er werkelijk tussen. De prijs die we op internet zagen klopt. Snel scoren die bak en wegwezen, dat is het plan. Iemand hier is gek geworden en die heeft onze droomauto te koop gezet voor een prijs die tweeduizend euro goedkoper is dan elders. Zelf geloof ik daar niet in. Die kar heeft een deuk, of zodra je ermee gaat rijden valt er iets onderuit.
Ik kijk rond, op zoek naar een rijtje Toyota’s, maar dan zie ik wat auto’s binnen staan. Het is goed dat ik geen stuk pizza in mijn mond heb, die had anders op de neus van een van mijn schoenen gelegen. ‘Wessel,’ ik wapper met mijn hand naar mijn zoon, maar die plakt met zijn neus zowat tegen het scherm van zijn DS. ‘Zet dat ding uit, jongen. Hier staan echte auto’s. Droomauto’s.’ Mijn vinger wijst naar Ferrari’s. Rode Ferrari’s.
Goede smaak
Mijn zoon blijft staan, maar terwijl ik naar binnen ga word ik gevolgd door mijn dochter. Ze slaakt een zucht, vijf jaar oud als ze is. En ineens besef ik dat mijn dochter een liefhebber is, net als ik. Geen wonder dat zij altijd moppert dat ik sneller moet rijden, wanneer wij worden ingehaald op de snelweg. Daarom speelt zij zoveel met de speelgoedgarage. Samen lopen wij naar een glimmende, rode Ferrari. Zij wijst naar het embleem en zegt: ‘Wauw papa, een paardjesauto.’ Ik vraag haar of zij zo’n auto wil hebben en ja, dat wil zij wel.
‘Maar papa koopt de Toyota schatje,’ zeg ik. ‘Papa kan dit niet betalen.’ Samen lopen we naar buiten, naar de heilige koe waarin we de komende jaren gaan rijden. We zijn blij, zelfs mijn dochter is trots. Maar ik weet dat ze over een paar jaar die Prius een suffe bak zal vinden. Zij zal dromen van rode, glimmende lak en snelheid. De snelheid van de Italiaanse paardenkrachten van een steigerende hengst. Een paardjesauto.
Mijn dochter is vijf jaar oud. Maar ze heeft smaak, dat valt niet te ontkennen.

