Niet zomaar een griepje
Drie jaar geleden zat ik rond deze tijd in de auto van vriendin R. Zij stuurde ons langs de zuidkant van Rotterdam, op weg naar oncologisch centrum Daniel den Hoed. Het was vroeg in de avond; de zon was al onder en ik keek naar de lichtjes van de stad. Achter me zaten de zus van de patiënt en haar vriend op de achterbank. Met zijn vieren gingen we Martijn opzoeken, de jongste van de beverleiding, een echt scoutingkind dat ik in de twaalf jaar dat ik leiding gaf had zien opgroeien van zevenjarige stuiterbal tot negentienjarige gigant.
Zenuwen
Chauffeur R. reed het parkeerterrein op tegen de rijrichting in. ‘Geeft niets, dat komt door de spanning,’ zei ik en ik vroeg me af hoeveel mensen hier al eerder brokken maakten met hun auto, omdat ze nerveus waren voor een bezoek aan een doodziek persoon. Zelf was ik ook gespannen. Wat moet je zeggen tegen een jongen die in een gevecht is verwikkeld met de dood? Opnieuw zuchtte ik de spanning van me af, wetende dat het toch niet ging helpen. De dor geworden herfstbladeren kraakten kapot onder mijn schoenen. We liepen de helling op naar de ingang van het ziekenhuis. Het kostte me zowel mentaal als fysiek moeite om boven te komen.
Gevaarsymbool
Martijns zus wist al waar zijn kamer was. Zij liep aan kop. Ik keek in een kamer waarvan de deur openstond en zag twee verpleegsters bezig met het opruimen van beddengoed. Ze droegen beschermende kleding en stopten het gebruikte op het plastic van de zakken stond een geel gevaarsymbool. Hier kregen mensen chemotherapie, vloeibare troep. Het zweet van de patiënten kroop als een gif in de bedden. Ik wilde niets meer aanraken. Alles hier was besmet met die vreselijke, mensonterende ziekte.
Stafhok
We liepen de kamer van Martijn binnen en ineens was elke gedachte aan de dood weg. Hij zag er niet ziek uit. Het was alsof zijn ziekte maar een tijdelijke grap was, die hij zelf ook niet serieus kon nemen. We hadden lol en maakten grappen. Om de andere patiënt in zijn kamer wat rust te gunnen, namen we Martijn mee naar de koffiekamer, die we omdoopten tot ons nieuwe stafhok. Ik probeerde de boekenkast die vol stond met kinderboeken over kanker te negeren, alsook de rijdende paal met het infuus. In een hoek stond een hometrainer en daar focuste ik mij op. Nooit gedacht dat ik een hometrainer ooit nog zou zien als symbool van de overwinning van het leven op de dood.
Paracetamol
Nauwelijks twee maanden daarvoor zaten we ook zo bij elkaar, in de huiskamer van vriendin R. We zaten te vergaderen voor onze speltak bij Scouting. Martijn zei die avond dat hij zich al een tijdje niet lekker voelde. Hij had last van pijn op de borst. Een verkoudheid? Een griepje dat niet door wilde zetten? Het was vast en zeker iets dat je kon oplossen met het innemen van een paracetamol. De huisarts had ook niets ernstigs vermoed bij het horen van zijn klachten. Een jongen van die leeftijd met pijn op zijn borst. Ik had er een vervelend gevoel bij, maar hoe erg kon het zijn?
Botkanker
De pijn bleek afkomstig te zijn van zijn botten. Botkanker, het had zijn skelet op diverse plekken broos en breekbaar gemaakt. Zijn lijf was al zo kapot dat herstel niet meer mogelijk was. Daarover hoorde je niemand praten. Martijn ging het gevecht aan, een oneerlijke strijd die hij onmogelijk kon winnen. Drie dagen voordat hij twintig zou worden, kwam er een eind aan zijn leven. Wanneer ik aan hem denk, zie ik hem zoals hij was toen we voor het laatst zaten te vergaderen. Niemand van ons kon op dat moment vermoeden dat hij zo ziek kon worden als dat hij op dat moment al was.

