Familie op de roltrap
We laten de auto achter op de parkeerplaats die tevens fungeert als dak van het winkelcentrum en gaan met de roltrap naar beneden. Het ruikt heerlijk binnen. Helemaal beneden zie ik een kraampje. Een medewerker van de supermarkt staat hamburgers te braden in een geweldig grote braadpan.
Niersteen
Naast mij staat mijn moeder. Mijn vader ligt in het ziekenhuis. De niersteen die hem veel pijn bezorgt gaan ze donderdag operatief verwijderen. Omdat mijn moeder geen rijbewijs heeft, heb ik aangeboden om samen met haar de wekelijkse boodschappen te gaan doen. Wij zijn op weg naar de supermarkt, wanneer we mijn oom zien staan op de andere roltrap.
Roddels en achterklap
Mijn moeder wuift naar haar oudste broer, maar hij beantwoordt haar begroeting niet. Dat verwondert me nauwelijks. Hij toont al jaren weinig interesse in zijn vier zussen en zijn jongste broer. Hij komt niet op verjaardagen of trouwerijen. Alles wat we over hem weten, vernemen we via roddels en achterklap.
Ik heb hem vaker gezien in ons dorp, maar hij reageert niet op mij. Volgens mij weet hij niet wie ik ben. Ik lijk dan ook totaal niet meer op de jongen van vroeger. Maar nu ziet hij mij staan naast zijn zus. Een logische conclusie zal zijn dat ik haar zoon ben, dat jochie met de blonde krullen dat ooit wel eens bij hem bleef logeren.
Klappen
Terwijl we dichter tot elkaar komen, omdat wij langzaam afdalen, terwijl hij opstijgt, weet ik niet goed wat ik moet doen. Hij reageerde niet op mijn moeders begroeting. Ik weet wat er over hem gezegd wordt. Het is een verwende man, het lievelingetje van zijn moeder. Mijn oma heb ik nooit gekend, maar ik weet dat ze het zijn zussen en jongste broer niet gemakkelijk heeft gemaakt. Mijn moeder was de oudste dochter en plaatste zichzelf altijd tussen haar moeder en de rest van het gezin. Zij ving de klappen op, mentaal en fysiek. Later heeft ze daar nooit veel waardering voor gekregen. Ze had haar werk te goed gedaan en haar zusjes en jongere broer zo goed verdedigd, dat zij niet konden geloven dat zij vroeger de klappen voor hen heeft opgevangen.
IJdel
Mijn oom deed daarentegen wat hij maar wilde, zijn moeder vond het allemaal goed. Zolang hij werd verwend keek hij ook niet om naar zijn broers en zussen. Nu hij oud is doet hij dat nog altijd niet. Eigenlijk begrijp ik niet goed waarom mijn moeder naar hem zwaait. Verdient hij het? Ik vind van niet. Daarom weet ik mijzelf geen houding te geven op die roltrap en dat terwijl het eigenlijk niet zozeer mijn eigen geschiedenis is.
Pas als hij heel dichtbij is zie ik dat mijn oom mijn moeder eindelijk herkent. Ze wuift nog eens. Hij knikt naar haar en kijkt in het passeren nog even naar mij. Dan is het moment alweer voorbij. Mijn moeder vraagt zich hardop af waarom hij pas laat op haar aanwezigheid reageerde. Ik zeg dat hij misschien een bril nodig heeft, maar dat hij te ijdel is om er een te dragen.
Mijn vader
‘Het is goed dat je vader er niet bij is,’ zegt mijn moeder wanneer we beneden zijn. Wat had mijn vader dan anders had gedaan dan ik? Had hij mijn oom straal genegeerd? Had hij hem vuil aangekeken? ‘Waarom is het goed dat hij er niet bij is?’ vraag ik.
‘Je vader had de verleiding zeker niet kunnen weerstaan om hier een hamburger te kopen,’ zegt ze.

