Een nacht op het strand
Vlak voor zonsondergang bereiken we Hoek van Holland. We stappen uit de auto’s en gaan op zoek naar de zee. Ik passeer enkele strandwinkels en een palmboom in een reusachtige pot. Het is ruim twintig graden, maar de tropische boom is hier niet op zijn plaats. Dat wordt pas echt duidelijk wanneer ik het zeewater nader en naar links kijk. Tegen de donker wordende achtergrond steken duizenden oranje lampen af. De chemische industrie laat zich hier iets te duidelijk zien.
Zonnebank
Ik ruik de zee. De golven ruisen. Het is een rustgevend geluid dat ik herken van onze zonnebank. Die heeft een stand die je helpt bij het ontspannen. We zijn hier echter niet om tot rust te komen. We gaan ruim twintig kilometer lopen in noordelijke richting met als eindbestemming Scheveningen. Het water trekt zich langzaam terug en het laat een nat plateau achter waar wij prima op kunnen wandelen. Het loopt comfortabeler dan mul zand, ook al zakken onze loopschoenen nog wel weg in de zuigende modder.
We vertrekken bij zonsondergang, maar romantisch genieten van de ondergaande zon is er niet bij. Wij zetten de pas er goed in. Trouwens, er valt geen zon te bekennen, die bevindt zich achter een wolkenband die laag boven de horizon hangt. Toch weerhoudt dat een aantal koppeltjes er niet van om elkaars warmte op te zoeken op de grens van water en land, met hun blote enkels in de branding.
Zwarte vlammen
Wanneer de zon genoeg van zijn licht heeft meegenomen naar de wereld achter de horizon, kleurt het zand zwart. Het vliedende water weerspiegelt de hemel en overal ontstaan kleine poeltjes van donkerblauw licht, omgeven door zwarte vlekken die aan vlammen doen denken: dat is het strand dat steeds meer van het licht verteert. Boven ons durven de grootste sterren zich al te laten zien, de kleintjes volgen later. De mensen die voor mij lopen zijn wandelende schaduwen. Er lopen ook mensen dicht naast me. Ik zie ze niet, maar hoor ze praten. De zichtbare wereld is een cocon die zich langzaam om mij heen sluit. En wanneer de nacht bezit heeft genomen van het strand, is er plotseling vuurwerk.
Het vuurwerk is van het . De oplichtende vuurpijlen markeren onze eindbestemming. Het is alsof ze te vroeg zijn begonnen met het vieren van onze aankomst. En er is muziek. In de strandtenten is het feest. Lampen in allerlei kleuren lokken jongeren. Er zijn kampvuren met groepjes jeugd er omheen. Wij zijn veel dichter bij het water dan bij het vuur, maar ik ruik het verbrande hout. Wij kijken toe vanuit het onzichtbare duister van de kustlijn. Niemand ziet ons. Wij zien alles.
Nachtleven
Middernacht laat lang op zich wachten. De tijd gaat langzaam, of wij gaan snel. Voordat de zaterdag zich gewonnen geeft aan de zondag, zitten wij op een derde van de wandeling. Maar wanneer de uurtjes klein worden, lijkt de tijd sneller te verstrijken. Dat de nacht die een volwassen mens slapend doorbrengt heel kort is, besef je pas wanneer je een keer wakker blijft. Het wordt al snel half drie, vier uur. Wanneer ik op mijn horloge kijk zie ik tijden die ik associeer met de middag. Ik hoor op bed te liggen en verbaas mij erover hoeveel leven er is op het strand.
Wanneer we Scheveningen bereiken verlaten groepjes aangeschoten jongeren het strand. Wij lopen met ze mee. Onze bergschoenen zien er maar lomp uit naast de pumps die op handen worden gedragen. De kortgerokte meisjes ploegen met hun blote voeten door het zand. Om onze aankomst te vieren is er dan toch nog vuurwerk, al komt het pas wanneer we al op weg zijn naar huis. Vanuit de auto zien we de lucht paars kleuren en dan donkerblauw. Een enorme vuurbal stijgt op boven de horizon om de dag af te trappen. En wanneer de wereld weer zichtbaar is, maken wij ons onzichtbaar en ik slaap alsof ik net vierentwintig uur wakker ben geweest.

