Een kwestie van geloven
Wanneer je een kind hebt van zeven is het misschien niet zo slim om Sinterklaas in drie dagen tijd vier keer te bezoeken. Maar wij deden het toch.
Mijter
De Sint die ons op vrijdagavond bezoekt is een kleine man. Dat hij kleiner is dan zijn pieten zien alleen wij. De kinderen zijn zelf nog te klein om dat te kunnen merken. We kennen deze Sint goed, we zien hem elk jaar. Hij is helemaal verslaafd aan het feest van Sinterklaas en richt zelfs zijn huis in als het huis van de Sint. Aan het begin van zijn bezoek houdt hij een betoog van wel vijf minuten over zijn mijter, want die stond tijdens de intocht in Dordrecht verkeerd om op zijn hoofd, althans: op het hoofd van onze nieuwe nationale Sinterklaas. Fanatiekelingen spraken er schande van!
Pyjama
Wanneer Wessel bij de Sint mag komen zingt hij het liedje van de Zwarte Piet die ging fietsen, maar hij plakt er een heel eigen einde aan vast, dat hij zelf heel vermakelijk vindt. In zijn versie besluit de Piet op de fiets naar Spanje af te reizen, waarbij hij de stoomboot inmaakt. Hetzelfde lied brengt Wessel opnieuw op zaterdagochtend, wanneer we aan mogen treden bij de Sint van het werk van mijn vrouw. Deze Sint gooit er wat mij betreft met de mijter naar, wanneer hij besluit zijn mantel uit te doen. Daar staat ineens een iele man in een witte pyjama. Het lijkt de kinderen niet te deren, maar het is geen porem. De Sint hoort gewoon zijn rode cape te dragen.
Dat weet je toch nog wel?
‘s Middags komt de Sint langs bij de buurtvereniging. Wanneer de goedheiligman vraagt of er een kindje wat wil zingen, springt Wessel op van de vloer. De Sint vraagt wat Wessel gaat zingen. ‘Het liedje van de Piet die ging fietsen, maar dan met het andere einde dat veel grappiger is.’ Sinterklaas reageert verbaasd. ‘Een veel grappiger einde?’ Waarop Wessel zegt: ‘Ja, precies zoals gisteren en vanochtend. Dat weet je toch nog wel?’ Wanneer de Sint de microfoon onder zijn neus duwt, begint hij te zingen. Naar het eind toe steeds haastiger. En dan komt bijna onverstaanbaar die riedel over de Piet die de boot inmaakt. Applaus. Onze zoon gaat weer zitten.
Wolk
De Sint zien we voor de vierde keer op mijn werk. Het is zondagochtend en deze goedheiligman waagt het zijn mijter af te zetten. Sinterklaas zonder mijter, dat ziet er niet uit, zeker omdat de Sint zijn haar niet heeft geborsteld. Het is alsof iemand een wolk op zijn gezicht heeft geplakt. Samen met tweehonderd anderen zien we dan ineens hoe Wessel het podium bestormt. Hij wil een liedje zingen. Alweer het liedje van de Zwarte Piet die ging fietsen, de grappige variant. Als hij klaar is krijgt hij een applaus van tweehonderd mensen. ‘Geweldig,’ zegt mijn collega die naast mij staat. ‘Die jongen van jou is echt niet verlegen hè? Dat zie ik mijn kinderen nog niet zo snel doen.’
Twijfel
Wanneer ik ‘s avonds Wessel naar bed breng, vraagt hij aan mij of we dit weekend wel de echte Sinterklaas hebben gezien. ‘Kindjes op school zeggen dat hij helemaal niet bestaat.’ Ik denk terug aan die man in zijn witte pyjama, die zonder zijn cape eigenlijk niet echt meer leek op de goedheiligman. Dan denk ik terug aan de Sint die heel voorzichtig zijn mijter afdeed, waarna hij vol in zicht controleerde of die wolk nog recht op zijn hoofd zat geplakt. Het verbaast mij niet dat mijn zoon dat is opgevallen. ‘Wat denk je zelf?’ vraag ik dan maar.
Lied
‘Ik vind het wel gek dat hij steeds maar weer vergeet dat ik een grappige versie ken van het liedje van de Piet die gaat fietsen. Ik heb het al vier keer gezongen en vandaag kende hij het nog steeds niet,’ zegt Wessel en ik kan op dat moment alleen maar lachen om de bijzondere manier die hij heeft bedacht om te onderzoeken of de Sint wel daadwerkelijk echt is. Als ik weer beneden ben, schrijf ik op de computer een brief die ik wat later in zijn schoen stop: ‘Wat een prachtig lied zong je voor mij, over die Piet die de stoomboot inmaakt. Ik deed net alsof ik het nog niet kende, zodat je het nog een keer zou zingen. Goed gedaan hoor Wessel! Liefs, de Sint.’

