De telefoon als wapen
Het was half zes, bijna avond. De zon hing als een oranje bal boven mijn dorp, dat ik al in de verte kon zien liggen. Ik zat op de fiets tussen de landerijen en hoorde iets zoemen achter mij. Een geluid dat mij om deed draaien. Daar reed een gigantische machine, zo breed als de weg. Het had wielen die waren gemaakt om te pletten. Er zat honderd meter tussen ons in, maar de afstand werd minder. Ergens wist ik wel dat mij pletten niet het doel was van de chauffeur die het monster bestuurde, maar toch ging ik sneller fietsen.
Heuvel
Ik fietste tegen een heuvel op. Bovenaan de heuvel stond een witte auto. De bestuurder ervan wist niet goed wat hij aanmoest met het gevaarte dat achter mij voort denderde. Tussen mij en de witte auto in reed een groepje fietsers. Zij waren bijna boven, op de plek waar auto’s en gigantische pletmachines rechtsaf moesten. Fietsers konden rechtdoor het fietspad op, de veiligheid tegemoet. Dat was de situatie toen ineens alles anders ging dan dat ik het had kunnen voorzien.
Gebaren
De witte auto ging rijden. Ik kijk achterom. De pletmachine was de weilanden ingereden. Ik keek weer voor me en zag een fietser achterom kijken en woedende gebaren maken. De auto stopte en de bestuurder stapte uit. De fietser riep iets naar hem. Op dat moment was ik dicht genoeg in de buurt om te horen wat ze zeiden en om te zien hoe jong ze waren. Het waren twintigers.
Ruzie
‘Je moet uitkijken,’ zei de fietser.
‘Jij moet zelf uitkijken,’ zei de chauffeur en hij ging vlak voor de fietser staan. Ik remde en stapte af naast het tweetal. Er kwam nog een jongen uit de auto. Ik keek naar hem en hoorde de chauffeur verder tieren: ‘Je moet niet zo’n grote bek hebben, jongen, of ik trap je zo hard die sloot in dat je er nooit meer uit komt.’ Hij duwde zijn borst vooruit. Zijn neus tikte bijna tegen de kin van de fietser.
Telefoon
Ik zei niets, maar ik stond er. Wat kon ik verder doen? De chauffeur was aan het dreigen. Zou het op knokken uitlopen? Ik besloot mijn telefoon te pakken. Als het uit de hand ging lopen zou een foto handig zijn. Ik maakte mijn fietstas open en haalde de telefoon eruit. Hij zat nog in het beschermhoesje. Wat ik deed werd gezien. Ik bleef kijken naar de jongens. Wat zouden ze nu doen?
‘Ga fietsen jongen, donder op. Nu fietsen, weg jij. Ik wil jou niet meer zien,’ zei de chauffeur.
Rustig blijven
De fietser rolde zijn fiets iets verder, stapte op en reed weg. Ik stak mijn telefoon weer weg in mijn jas en reed achter hem aan. Iets verderop haalde ik hem in. ‘Goed gedaan jongen,’ zei ik. ‘Je bleef heel rustig. Dat is altijd het beste.’ Daarna trapte ik door, naar huis toe.
CC Foto: GettyImages

