De afgehakte vinger
Er stonden een aantal kinderen dicht bij elkaar op het schoolplein. Een klasgenootje kwam naar me toe. ‘Die jongen heeft een luciferdoosje met een afgehakte vinger erin,’ zei hij. Dat wilde ik ook wel zien. Ik liep naar de jongen toe. Hij schoof het doosje open en daar lag hij: de afgehakte vinger. Het was een wijsvinger. Er zat een watje tegen de wond aan. Ik zag bloed. Een meisje sloeg van ontzetting haar hand voor haar mond.
Hartstikke nep
‘Hartstikke nep,’ hoorde ik een jongen zeggen. Diezelfde jongen liep de volgende dag ook rond met een afgehakte vinger in een luciferdoosje. Blijkbaar vond de dader dat het joch zijn tater had moeten houden. Nu was hij ook te grazen genomen. Kinderen gingen ook bij hem een kijkje nemen. Ik hoorde ze lachen. Lachten ze nou echt om een afgehakte vinger? Ik hoorde iemand zeggen dat hij de vinger had zien bewegen.
Het weekend erop vierden we thuis mijn kinderfeestje. Mijn ouders hadden een goochelaar ingehuurd. De man stond bij het raam en wij zaten verdeeld in twee rijen als publiek in het midden van de kamer. Uit de koffer van de goochelaar kwam een metalen object. Hij vroeg ons wat het was. Niemand wist het.
Guillotine
‘Dit is een kleine guillotine. Bij zijn grote broer past er een hoofd door dit gat.’ De goochelaar stak bij wijze van illustratie een sigaret half door het gat. Tsjak. De helft van de sigaret viel op de grond, doormidden gekliefd door een vlijmscherp mes. ‘En dan zoek ik nu een vrijwilliger. Een jongen of meisje die zijn of haar vinger door dit gat durft te steken.’
Ineens was het me helemaal duidelijk. De afgehakte vingers! Het was allemaal de schuld van die man en dat duivelse apparaat van hem. Mooi niet dat ik hem vrijwillig mijn vinger ging aanbieden. Hij wees naar mij. ‘Misschien wil de jarige job mij helpen? Sta maar eens op.’
Doodsbang
Ik begon heel hard te brullen. Mijn ouders snapten er niets van. Ze namen mij mee naar de gang. Ik bleef maar ratelen over afgehakte vingers. Doodsbang was ik. Ze probeerden me rustig te krijgen, maar het lukte niet. ‘Als je zo flauw blijft doen, blijf dan maar hier op de trap zitten. Je mag terug naar de huiskamer komen wanneer je weer normaal kunt doen.’
De show ging verder zonder mij. Er werd een vrijwilliger gevonden. Ik luisterde gespannen vanaf de trap. ‘Opgelet!’ riep de goochelaar. ‘Het doet maar heel even pijn.’ Daarna klonk applaus. Applaus? Ik kwam van de trap af en rende naar de huiskamer. De halve sigaret lag nog op de grond. Ik had een afgehakte vinger verwacht, maar die lag er niet.
Luciferdoosje
‘Deze truc is ooit een keer misgegaan,’ sprak de goochelaar. Uit zijn koffer haalde hij een luciferdoosje. Hij schoof het open en liet ons een wijsvinger zien. Maar deze vinger bleef niet liggen. Hij ging rechtop staan en zakte weg uit het doosje. Onderin zat een gat. De goochelaar had zijn eigen wijsvinger door het gat gestoken. ‘Hier,’ zei de man. Hij gaf het doosje aan mij. ‘Mag jij hebben.’
Het was nep! Het was een truc. Nu ik het wist voelde ik me niet opgelucht. Ik kon niet precies thuisbrengen hoe ik mij voelde. Achteraf weet ik wel wat het woord is dat paste bij die emotie. Ik voelde me ontgoocheld.
Met dank aan die met zijn geweldige goochelworkshop bij mij deze jeugdherinnering wist terug te toveren
CC Foto: GettyImages

