Vliegeren

Telkens begon Wessel erover: ‘Pappa, ik wil vliegeren.’ Inderdaad: de boomtoppen zwaaiden naar ons, maar met zo’n vlieger aan de gang, pfff, dat zag ik even niet zitten. Dan maar een saaie papa wezen. Maar vandaag scheen de zon; we zaten al de hele ochtend binnen en het waaide. Dus gingen we op pad met de vlieger voor wat beweging en een frisse neus.
Nu weet ik weer waarom ik een hekel heb aan vliegeren: knopen in het touw, vlieger vast in de boom en vooral erg veel hollen. Zulk soort voorwerpen zijn voor een kind onmogelijk om in de lucht te krijgen, dus ik mocht het werk doen. Kinderen houden het touw vast en beginnen te rennen terwijl achter hen de vlieger zichzelf steeds dieper in de grond boort.
Het voordeel van pappa zijn bij het vliegeren, is dat je zo’n ding in de lucht krijgt! Dus ik hard rennen langs mijn zeurende kindjes die riepen: pappa, nu ik, nu ik. Maar telkens draaide de wind, waarop de vlieger begon te dwarrelen en ik weer moest rennen, maar dan de andere kant uit. Ik heb het park enkele keren doorkruist. Ondertussen zaten mijn zoon en dochter tegen een boom uit te rusten. De enige beweging die ze nog maakten was met hun ogen die mij van de ene kant van het gras naar de andere kant volgden.
Uiteindelijk zei ik: ‘Lusten jullie een ijsje?’ Met twee vliegers onder mijn arm liepen we terug naar huis. Het ijsje smaakte goed na al dat hollen. Nadat de stokjes in de prullenbak waren verdwenen vroeg ik aan Wessel of hij nog een keer wilde vliegeren. Hij trok zijn neus op, schudde heel hard met zijn hoofd en rende snel naar de schommel. ‘Pappa, wil je me duwen.’
Zucht.

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.